De heropleving van het ‘Made in Europe’-beleid: kansen en uitdagingen voor de Europese industrie

Een historische poging tot etikettering en de terugkeer van het concept

Twee decennia geleden kreeg een middelhoge functionaris binnen de Europese Commissie de opdracht om een regelgeving te ontwikkelen die vereiste dat producten het label “Made in Europe” zouden krijgen. Het idee achter deze maatregel was nobel: consumenten willen weten waar hun goederen vandaan komen, en er werd aangenomen dat “Europa” staat voor kwaliteit. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld China of Vietnam. Het label zou de verkoop stimuleren en meer werkgelegenheid in de productie op het continent genereren.

Hoewel het plan in de eerste plaats niet werd doorgezet, bleven bepaalde sectoren, zoals meubels, koffers en Spaanse keramiek, opties over om het label “Made in Europe” te gebruiken. Andere sectoren waren sceptisch over de marketingwaarde ervan, omdat veel Europese landen liever vasthielden aan nationale etiketten zoals “Made in Germany” of “Tradition française”, als teken van kwaliteit. Internationale handelspartners van de EU waren bovendien terughoudend om Europese herkomst te erkennen, vooral nu het vrije marktprincipe werd gehanteerd. Een van de weinige overgebleven voorbeelden van dit beleid bleef de koffersmarkt, met Samsonite dat op een nette “Made in Europe”-branding overstapte. Het leveren van dergelijke producten blijft echter een vrijwillige actiemaatregel van het bedrijfsleven; de Europese Unie verplicht deze niet.

De comeback van het beleid en de mondiale context

Nu, twintig jaar later, lijkt het idee zich opnieuw te herpakken. De Verenigde Staten hebben een reeks beleidsmaatregelen en wetgevingen geïntroduceerd om reshoring – het terughalen van productie naar binnenlandse bodem – te stimuleren. Dit varieert van de Inflation Reduction Act die lokale inkoop bevoordeelt, tot Trumps Tariefplan dat bedoelt import te beperken en productiebanen terug te brengen naar de ‘Rust Belt’-staten.

In Azië werd vijf jaar geleden het initiatief “Made in India” gelanceerd, met fiscale voordelen, promotiegeld en stimuleringsprogramma’s voor binnenlandse fabrikanten, inclusief deregulering. China heeft tussen 2015 en 2025 het beleid “Made in China 2025” uitgevoerd, dat industrie in belangrijke sectoren wil versterken via subsidies, belastingvoordelen en goedkope leningen. Door deze programma’s wordt het steeds onwaarschijnlijker dat India of China zich nog zullen aansluiten bij het WTO-overheidsopdrachtenverdrag, gezien de uitdagingen die deze initiatieven met zich meebrengen.

Europa’s poging tot herindustrialiserings en het nieuwe beleid

Europa begint nu, tien jaar te laat, opnieuw te focussen op “Made in…”-labels. Dit gebeurt als onderdeel van een poging om de industrie te herzien en de afhankelijkheid van risicovolle toeleveringsketens uit China en de VS te verminderen. Op 10 december zal de Europese Commissie een nieuw voorstel presenteren dat het gebruik van het label “Made in Europe” moet versterken. Dit voorstel geeft lidstaten mogelijk meer ruimte om beleid te voeren dat discrimineert tegen niet-Europese producten tijdens aanbestedingen en het stimuleren van Europese automobielproductie en batterijtechnologie.

Het voorstel omvat waarschijnlijk ook het bieden van fiscale voordelen, hoewel de exacte inhoud nog niet definitief is vastgesteld. Over deze voorstellen zullen stevige discussies plaatsvinden in de Raad en het Europees Parlement, waarbij vooral de tegengestelde belangen van noordelijke en zuidelijke lidstaten duidelijk worden. Nordelijke landen willen geen regels die in strijd zijn met WTO-afspraken en zijn terughoudend tegenover het subsidiëren van nationale kampioenen, omdat zij geloven dat dit niet goed is voor een gezonde industrie en de marktwerking. Zuidelijke en enkele Oost-Europese landen streven daarentegen naar striktere “Made in Europe”-regels, zelfs als deze mogelijk in strijd zijn met internationale handelsregels.

Risico’s en internationale gevolgen

De Commissie’s voorstellen kunnen echter botsen met haar internationale verplichtingen onder de WTO. Zo kunnen de plannen leiden tot het geven van handelsverstorende subsidies en kunnen ze strijdig zijn met de regels die discriminatie op importproducten verbieden, zoals vastgelegd in GATT. Lokale content-eisen worden in de meeste gevallen niet toegestaan.

De vraag rijst of handelspartners juridische stappen zullen ondernemen tegen de EU. China wordt waarschijnlijk het meest aangeklaagd vanwege het beleid. De Verenigde Staten en India zullen dat echter niet doen omdat zij hun eigen nationale schemes invoeren en niet langer waarde hechten aan de WTO-geschilprocedure.

De verwachting is dat, na een moeizame discussie in de Raad en het Parlement, Europa zal besluiten met een afgezwakte versie van het “Made in Europe”-beleid, dat zich vooral richt op gedrag dat via aanbestedingen en beperkt substitutiebeleid de markt wil sturen. Het nieuwe beleid zal zich voornamelijk richten op beperkingen binnen het overheidsinkoopproces en bepaalde subsidies voor producten zoals kleine auto’s met een hoog Europees aandeel in de productie.

Het is aannemelijk dat Europa hiermee het eigen marktklimaat zal beïnvloeden. Het herschikken van de regels zal waarschijnlijk leiden tot een situatie waarin consumenten meer betalen voor producten met Europese onderdelen, terwijl sommige lidstaten zich afvragen of dergelijke maatregelen niet oneerlijk of onwerkbaar zijn in internationale termen.

De balans tussen continentale belangen en internationale afspraken

Vooral Zuid- en Oost-Europese landen blijven zich sterk maken voor nationale en Europese “Made in”-regels, ondanks de risico’s op conflicten met WTO-afspraken. Zij willen productie terughalen en meer controle over hun industrie krijgen. Noordelijke landen blijven aarzelen, omdat ze inzetten op non-discriminatie en vrije marktprincipes, en bezorgd zijn dat subsidies oneerlijke concurrentie bevorderen. Dit conflict tussen belangen dreigt de totstandkoming van een coherent Europees beleid te bemoeilijken.

Samengevat: de voorstellen kunnen leiden tot juridische geschillen of commerciële repercussies, afhankelijk van de reacties van handelspartners. China lijkt het meest waarschijnlijk om actie te ondernemen, terwijl de VS en India de eigen weg volgen. De uitkomst blijft onzeker, maar het hernieuwde belang voor “Made in Europe” duidt op een zoektocht naar een balans tussen bescherming van binnenlandse industrieën en naleving van internationale handelsregels.